Israëli’s in de BDS-beweging

Israëlische leden van de BDS-beweging en pro-Palestijnse activisten leggen uit waarom de wereld haar steun aan Israël moet stoppen.

Deb: “Het is een fundamenteel mensenrecht te weigeren elkaar af te slachten”

Deb: “Zonder gerechtigheid kan er geen verzoening zijn”

“Ik was zeventien toen ik voor het eerst naar Palestina kwam voor een uitwisselingsprogramma. Ik merkte meteen dat er in het Hebreeuws enige verwarring was tussen de termen ‘joods’ en ‘Israëlisch’.  Als je jood was, maar geen Israëli, of Israëli maar geen jood, dan was je identiteit niet honderd procent duidelijk.

Dat intrigeerde me, die relatie tussen joden en Palestijnen. Vandaag spreken we echter van joden en Arabieren, want Palestijnen klinkt te vriendelijk. Vóór 1948 waren de joden zelf ook Palestijnen.

Ik ben geen activist die op de barricades gaat staan, alhoewel ik dat wel gedaan heb toen ik jonger was. Ik werkte toen voor een platform dat joden en Arabieren samenbracht. In die periode, in de vroege jaren ’80, dacht ik dat je voor verzoening kon ijveren zonder het ooit over politiek te hebben. Later realiseerde ik me dat verzoening onmogelijk is zonder gerechtigheid. De vraag is dus: ‘Wiens gerechtigheid en hoe zou die eruit kunnen zien?’

Mensen die hun nek niet uitsteken om de boycotbeweging te steunen, worden vaak tegengehouden door angst. Angst voor wat anderen van je zouden denken, angst voor uitsluiting, angst voor vrienden die plots niet meer met je praten.

Volgens mij moeten we mensenrechten vandaag als iets interactiefs beschouwen. We kunnen niet zeggen: ‘Ik hou me bezig met mijn rechten, jij met de jouwe.’ Zo werkt het niet meer. Een fundamenteel mensenrecht vandaag is het recht om geen vijanden van elkaar te zijn, het recht om te weigeren elkaar af te slachten. Dit recht kunnen we niet in ons eentje uitoefenen, we hebben er anderen bij nodig.”

 

 

Yaar: “Op dat moment wist ik dat ik nooit deel kan uitmaken van het Israëlisch leger”

Yaar: “De Israëlische samenleving is rechtser en gewelddadiger dan ooit”

“Mijn familie is vanuit Antigua teruggekeerd naar Israël toen ik zes jaar oud was. Ik was gewend aan een warme, gastvrije en vreedzame plek, waar verschillende godsdiensten worden bestudeerd en waar zelfs kinderen leren over het belang van mensenrechten.

Plots bevond ik me in een land waar iedereen wel gebrainwasht lijkt en waar je enkel aanvaard wordt als je precies hetzelfde bent als de andere. Het geweld en militarisme van de Israëlische samenleving was heel bevreemdend.

Toen ik vijftien was, nam ik deel aan mijn allereerste demonstratie. Het was dicht bij een nederzetting en ik herinner me levendig dat een jongen van mijn leeftijd in het hoofd geschoten werd met een rubberkogel. Deze ervaring heeft me voor altijd veranderd. Op dat moment wist ik dat ik me nooit bij het leger zou aansluiten.

Voordien had ik nog gedacht misschien ooit ambulancier of verpleger te worden, een soldaat zonder echt uniform, die mensen zou verzorgen. Maar op dat moment, toen ik geconfronteerd werd met dat geweld, met traangas, rubberkogels, de aanval van de Israëlische soldate die mij en mijn vrienden sloegen, wist ik dat ik nooit deel kan uitmaken van die organisatie.

Ik voelde me alleen, en vandaag nog steeds, omdat onze groep zo klein is. De BDS-beweging wordt in de Israëlische samenleving slechts door een paar honderd mensen gesteund. Misschien tien of twintig mensen zijn écht actief, de harde kern.

Zelfs mensen die de bezetting van 1948 als iets positiefs beschouwen, maar vinden dat we de gebieden van na 1967 niet moeten bezetten, worden hier gezien als verraders.

De Israëlische maatschappij is gewelddadiger, rechtser en extremistischer dan ooit tevoren en daarom worden onze stemmen niet gehoord.”

 

 

Haggai: “Ik werd veroordeeld tot twee jaar gevangenis”

Haggai: “De afscheiding heeft het eenvoudiger gemaakt voor de ene kant om de andere kant te demoniseren en te ontmenselijken”

“Ik groeide op in een links nest en kwam met activisme in contact toen ik vijftien of zestien jaar was. Het begon met vragen stellen. Ik ging op zoek naar antwoorden over lokale politieke thema’s.

Ik ging naar een zomerklas waar Palestijnen en Israëli’s samenkwamen.

Toen, na het uitbreken van de tweede intifada, deed ik dienst in het leger in de Bezette Gebieden. Ik zag hoe het er aan toe ging op de Westelijke Jordaanoever en besliste dat ik daarvan geen deel kon uitmaken.

In het begin zei ik tegen mezelf: ‘Oké, ik wil niet dienen in de Bezette Gebieden.’ Maar na verloop van tijd realiseerde ik me dat niet de Bezette Gebieden het probleem waren, maar het leger zelf. Ik wilde gewoon niet bij het leger horen. Hoe meer ik ernaartoe ging, hoe duidelijker het voor mij werd dat ik er tegen in actie moest komen.

Met een groep vrienden weigerden we dienst te doen in de Bezette Gebieden. We deden dit openlijk en als verklaring gaven we dat onze weigering een gevolg was van de bezetting. Ik werd veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf.

Ik ben niet zeker of ik hetzelfde gedaan had, als ik had geweten dat ik zo zwaar gestraft zou worden. ‘Drie maanden, ik kan wel drie maanden zitten,’ zei ik vooraf tegen mezelf. Ik denk niet dat ik gezegd zou hebben: ‘Twee jaar gevangenis? Geen probleem.’

We krijgen veel steun van Palestijnen. Ze waren en zijn steeds geïnteresseerd in ons verhaal. Ik hoor soms dat het ‘geweldig is dat Israëli’s naar de gevangenis willen voor hun overtuiging’. Het is een sterk teken van solidariteit.

De segregatie – met muren, wetten en checkpoints – heeft het voor de ene kant eenvoudiger gemaakt om de andere kant te demoniseren en te ontmenselijken.

Veel jongeren hier hebben nog nooit een Palestijn ontmoet, tenzij ten tijde van hun legerdienst, in gevechtssituaties. Hetzelfde geldt aan de andere kant.

Dit maakt het makkelijker voor de Israëli’s om te zeggen dat alle Palestijnen monsters of terroristen zijn en voor de Palestijnen om te zeggen dat alle Israëli’s moordenaars zijn. Het is een kwestie van menselijk contact, of het gebrek daaraan.

 

David: “Je voelt je sterker als je de Palestijnen onderdrukt”

David over zijn tijd in het Israëlische leger: “Ik voelde het kwaad en zag wat het bij de slachtoffers teweegbracht”

“Bij ons thuis werd er niet gesproken over politiek. Ik wist vroeger niets van de geschiedenis van Israël. Ik kende wel een bepaald aspect van de geschiedenis, maar niet wat er écht was gebeurd. Over de Palestijnse kwestie werd gewoon niet gesproken.

Op mijn achttiende sloot ik me aan bij het leger. Al op mijn negentiende had ik gezien wat er met de Palestijnen gebeurt en sloeg mijn gevoel om. Ik voelde het kwaad en zag wat het bij de slachtoffers teweegbracht.

De Palestijnen worden mishandeld en gedomineerd. Als je de Palestijnen onderdrukt, met je laars op hun nek, dan voel je jezelf sterker. Het is een soort van zelfverheffing door andere mensen te mishandelen.

Na een tweetal jaar las ik een boek van Mokuza, over hoe mensen gebrainwasht worden om te doen wat ‘big brother’ van hen verlangt. Ik kon maar niet begrijpen hoe een samenleving er zo snel toe gebracht kon worden knettergekke dingen te doen. Ik zag dit gebeuren toen ik zelf in het leger zat. Ik zag het bij mijn vrienden, in mijn eigen eenheid, hoe ze blindelings, zonder nadenken, bevelen opvolgen.

Ik besloot uit het leger te stappen.

Sinds 2010 doe ik actief mee aan demonstraties in de Bezette Gebieden en andere activiteiten. Sinds het begin in 2005 ben ik ook betrokken bij de protesten in Bil’in.

Mijn respect voor de activisten is enorm. Helaas zijn er te weinig in Israël. We zitten nog lang niet aan die kritische massa om de dingen in beweging te krijgen. Volgens mij is externe druk, vanuit de internationale gemeenschap en van buitenlandse activisten, de sleutel tot succes, zoals het geval is geweest in Zuid-Afrika.”

 

Michal: “Dit begint op fascisme te lijken”

“Ik ben geboren in een zeer zionistisch nest. Mijn ouders zijn hier geboren, ze hebben gevochten voor dit land. Het zijn toegewijde, rechtse zionisten. Ze zijn enigszins militant: mijn vader is kolonel in het leger.

Ik had een normale Israëli kunnen zijn: vaderlandslievend, trots, iemand die haar land door dik en dun steunt. Ik zie mijn ouders graag maar ik weet wat er allemaal gebeurt. De Palestijnen hebben ook rechten.

Iemand vertelde me over de protestactie in Bil’in en ik dacht: ‘Komaan, je kunt geen voorstander zijn van Palestijnse rechten, van een Palestijnse staat, van ‘peace and love’ en ondertussen niks doen.

Bij mijn eerste deelname aan een demonstratie in Bil’in was ik in mijn eentje. Ik voelde me verloren. Het was een extreme ervaring omwille van het geweld dat losbarstte tegen de vreedzame demonstranten. Het leger kwam het dorp binnen, vuurde traangas en flitsgranaten af.

Het was de eerste keer dat ik geconfronteerd werd met een flitsgranaat. Ik was in shock en vroeg me af hoe men deze opstand zo lang heeft kunnen volhouden. Ik begon met de mensen te spreken – linkse activisten en Palestijnen – en ging zelf op zoek naar de waarheid.

Mijn leven lang is de waarheid voor mij verborgen gehouden, zo realiseerde ik me. Ik ben vergiftigd, men heeft mij belogen. Ik had al gehoord over de Palestijnen die in 1948 uit hun dorpen waren verjaagd, maar het was altijd een eenzijdig verhaal geweest. ‘We moesten dit wel doen want zij waren begonnen.’ Of nog: ‘Het was eigenlijk allemaal niet zo erg.’

Ik vond dat ik in actie moest komen. Ik kon niet zomaar verder gaan met mijn leven zonder iets te ondernemen tegen dit onrecht.

Erg optimistisch ben ik niet. Er zijn zo veel wetten gericht tegen ngo’s en tegen linkse organisaties, dat het hier op een fascistische staat begint te lijken. De oproep tot boycot en sancties tegen Israël is een smeekbede naar de rest van de wereld: ‘Wereld, help ons. We kunnen dit niet alleen. We hebben jullie steun nodig, want alleen zullen we er niet geraken.’

Toch ben ik ervan overtuigd dat de dingen kunnen veranderen. Het moet veranderen. Ik doe in ieder geval mijn best om dit te bereiken. Er is geen andere keuze. Wat zou ik anders doen? Gewoon verdergaan met mijn leven, met mijn job, alsof er niks aan de hand is?”

 

Ronnie: “Als Israëlische jood heb ik nog meer verantwoordelijkheid om dit systeem te bestrijden”

Ronnie over de BDS-beweging: “Ik doe eraan mee omdat het de juiste morele keuze is”

“Ik ben gewetensbezwaarde tegen de militaire dienst in het Israëlische leger. Tegelijk ben ik actief bij de groep Anarchists Against the Wall en lid van Boycott from Within, een Israëlische groep die deel uitmaakt van de wereldwijde, door de Palestijnen geleide BDS-beweging.

In mijn ogen is het moreel juist om deze initiatieven te ondersteunen. Alle joden zouden dit moeten doen. Ik ben hier als een bevoorrechte Israëlische jood. Deze voorrechten worden de niet-joodse bevolking ontzegd.

Als mens vind ik de boycot noodzakelijk, maar als Israëlische jood heb ik een bijkomende verantwoordelijkheid omdat dit systeem mij bevoorrecht. Daarom moet ik ertegen in opstand komen.

Ik zie verandering. Ik weet niet wanneer we zullen winnen. Maar we moeten dit bekijken als een wereldwijde beweging. Alle verzet in de wereld hoort verbonden te zijn in één gemeenschappelijke strijd voor gerechtigheid.

Mensenrechten, dat is wat we willen. Zo moeilijk mag dat toch niet zijn?”

 

Aital: “Zonder erkenning van de Nakba en het recht op terugkeer zal er nooit verzoening zijn”

“Zochrot is de naam van de organisatie die ik heb opgericht. Het betekent: herinneren. We werken aan bewustmaking over de Nakba en het recht op terugkeer van Palestijnse vluchtelingen.

Israëli’s weten bijna niets over de Nakba. Wij zijn ervan overtuigd dat kennis over en erkenning van ons aandeel in de Nakba essentieel zijn.

We moeten erkennen wat we de Palestijnen hebben aangedaan. We hebben ze verdreven en we hebben hun terugkeer naar huis onmogelijk gemaakt. Zonder erkenning van de Nakba, zonder het recht op terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen, zal er nooit verzoening zijn tussen Israëli’s en Palestijnen.

Ik ben geboren in Argentinië en kwam naar hier toen ik vijf jaar oud was. Mijn familie ging in een kibboets wonen. Ik was vrij links, maar op mijn achttiende ging ik zonder aarzeling het leger in. Ik twijfelde niet. De legerdienst hoort hier bij burgerschap. Zonder dienst te hebben gedaan ben je geen goede burger.

Ik ben trots dat mijn twee oudste kinderen hebben geweigerd om het leger in te gaan. Hopelijk volgen de jongste twee hun voorbeeld.

In 1982 werd ik als reservist opgeroepen om te gaan vechten in Libanon. Ik was van in het begin tegen deze oorlog en besloot, na veel nadenken, dienst te weigeren. Ik kreeg een gevangenisstraf. Het was een belangrijk moment voor mij. Voor het eerst trok ik een lijn: ‘tot hier en niet verder. Ik steun deze oorlog niet.’

Ik was 23. In de gevangenis heb ik veel geweldige mensen ontmoet. Sommigen zijn vandaag nog vrienden. Het was belangrijk voor mijn politiek begrip en voor mijn vorming.

Toen de eerste intifada begon, wist ik dat ik niet zou vechten. Als ik geloof dat de Palestijnen hun eigen staat verdienen, en dat Israël zich moet terugtrekken uit de Westelijke Jordaanoever, hoe kan ik dan de Palestijnse opstand gaan neerslaan? Dus ik weigerde opnieuw. En ik ging opnieuw naar de gevangenis.”