Uit het dagboek van Inge (2)

Dus zo ziet het helse gezoem eruit. Dat geluid dat resoneert zoals een zwerm van een triljoen bijen in de vlucht. Vandaar de Palestijnse verwijzing naar ‘zanaana’, wat letterlijk ‘gebrom’ betekent. Doorgaans zwelt het geluid eerst aan en neemt het daarna weer af, maar zelfs als je het niet hoort of ziet, verstoort het toch de satellietontvangst en worden mens en decor op tv met veel ruis uiteengetrokken in kleurrijke strepen.

Boven ons hangt er nu zo’n gigantische stalen wesp: een drone, een onbemand vliegtuig dat op afstand bestuurd wordt via een console, ergens in Tel Aviv waarschijnlijk. Het is de eerste keer dat ik het zie, dat het zo onafwendbaar werkelijk is.

Tijdens mijn eerste avonden in Gaza tuurde ik dikwijls urenlang van op het balkon naar de nachtelijke hemel om sterren van drones te onderscheiden, maar mijn gebrekkige astronomische kennis bracht mijn telling steevast in de war. Soms is het gezoem namelijk verlicht en goed zichtbaar, maar nog nooit was het groter dan een lichtpuntje in een donker luchtruim.

Hier en nu, op dit kleurrijke zandwegeltje met muren vol graffiti in Arabische kalligrafie, is het afgedaald uit het mysterie van het galactisch stelsel en is het plots een indringende militaire bedreiging. Ik blijf van verstomming staren naar dat grijze gevaarte: naar het smalle, korte lichaam met zijn lange, grijze vleugels, dat spanning en onheil zaait en niet langer zoemt, maar luid gromt.

 

‘Acht meter lang en zestien meter breed’.

Anaah, de vertaalster, schuifelt in het zand en kauwt op haar nagels terwijl ze met een kille blik naar boven staart. Ze is nerveus en hoest waarschijnlijk daarom feitelijkheden op.

Nu geldt niet langer het akelige idee van een zanaana die alles ziet en registreert. Drones observeren paramilitaire trainingssites en overheidsgebouwen, maar ook moskeeën, scholen, auto’s, huizen en iedere beweging, van iedereen, ook van jou en mij. Het enige wat nu telt, is de dodelijkheid, de onvoorspelbaarheid van dat massief tuig boven ons. Dat monster wekt een oerangst op, een gevoel van absolute kwetsbaarheid.

Ik weet dat ook Anaah tandenknarsend denkt: ‘De onbeschaamde arrogantie. Moet dat? Kan dat? Nadat ze hier net vier mensen vermoord hebben?’

(Inge Neefs, Gaza op mijn hoofd, EPO, Berchem, 2013, p, 23-24)