Uit het dagboek van Inge (3)

Het leven in Gaza is goed, nietwaar ?

 

Ik kijk de vrouw vertwijfeld aan, wachtend op de uitleg van haar ironische zinspeling. Maar ze knikt en haar glimlach bevestigt dat ze het meent.

Bedoelt ze dat het dagelijks leven doorgaat, dat mensen weigeren in angst te leven ondanks de pertinente dreiging van terreur? Ik heb nochtans al spraakzame angst en onverwerkt verdriet gevoeld in bevroren stiltes met dorre ogen die mijmeren over el-hareb, de oorlog Misschien wil ze zeggen dat liefde het wint van de haat, dat verbittering bestreden wordt met hartelijkheid, dat Palestijnen leven met opgeheven hoofd?

Of liggen haar woorden eerder in het verlengde van een uitspraak die ik geregeld opteken: ‘Ehna naas basitien. We zijn simpele mensen. Wallah, bij God, Palestijnen zijn goede mensen’. Mensen lijken trots te puren uit hun eenvoud, die zorgzaamheid herbergt en een sterk gemeenschapsgevoel koestert.

 

De bezetting kan met ons doen wat ze wil, maar wij gaan hier niet weg, we vechten en wij blijven

 

Anderen zijn lyrisch vanwege de strijd. ‘To exist is to resist’ lijkt op Palestina’s veerkrachtig lijf geschreven: ‘Gaza is de beste plaats ter wereld, ik zou nergens anders willen wonen. De bezetting kan met ons doen wat ze wil, maar wij gaan hier niet weg, wij vechten en blijven!’ Die veerkracht en dat doorzettingsvermogen worden samengevat in het woord ‘Sumoud’ dat op de collectieve Palestijnse identiteit pronkt.

 

Aan de andere kant van het spectrum weerklinkt geregeld het woord ‘khara’, ‘stront’, als referentie aan ieder aspect van het leven. ‘Leven is khara. Gaza op zich is khara; de universiteit is khara, het werk is khara, geld is khara, elektriciteit is khara, benzine is khara, water is khara, de bezetting is khara, Hamas is khara en Fatah is khara. Wallah, bij God, Gaza stinkt zelfs naar stront! Kullo khara hoon, laakin: ahleen fi gaza, ya Angie! Alles is stront hier, maar een dubbele welkom in Gaza, Inge!

 

Ibrahim een jonge twintiger uit het Jabalyavluchtelingenkamp, nam me een namiddag mee op sleeptouw en vertaalde alles in bruintinten. Het noodlot wou dat hij op het einde van de dag neerzeeg op een bankje waar een vogel net zijn gevoeg gedaan had. ‘Ah, zelfs de vogels kakken op ons!', zei hij droog waarna een lachsalvo het bitter smakend sarcasme wegspoelde.

(Inge Neefs, Gaza op mijn hoofd, EPO, Berchem, 2013, p, 55-56)