THRALL NATHAN. Cossee, Amsterdam, 2024
De Amerikaans-Joodse schrijver Nathan Thrall speelt klaar wat tv-beelden nalaten: de Israëlische bezetting, gevat in één busongeluk.
Twaalf jaar geleden lieten meerdere Palestijnse kinderen tijdens een busongeluk in Jeruzalem het leven. Nathan Thrall maakt via verschillende levensverhalen pijnlijk voelbaar waarom het niet zomaar een ongeluk was. En wat het ongeval vertelt over het leven in bezette gebieden.
Een bus vol opgewonden Palestijnse kinderen op schoolreis wordt in de stortregen aangereden door een slippende vrachtwagen, op de Jabaweg in Jeruzalem, pal naast de muur die Oost-Jeruzalem van de rest van de stad scheidt. ‘De weg van de doden’ heet die weg in de volksmond. Hij loopt van controlepost naar controlepost, waardoor files ontstaan en inhaalmanoeuvres vaker verkeerd aflopen.
In de bus zit ook de vijfjarige Milad, zoon van Abed Salama, die zelf met zijn neef onderweg is naar de slager als hij over het ongeluk hoort. Abed spoedt zich eerst met de auto, dan rennend naar de plek des onheils. Hij vindt de bus gekanteld en uitgebrand, en niemand weet naar welk ziekenhuis de kinderen vervoerd zijn.
Voor de hand ligt het Hadassah-ziekenhuis op de Scopusberg. Maar met zijn groene identiteitskaart van de Westelijke Jordaanoever kan Abed Jeruzalem niet in en dus rijdt hij naar het medisch centrum in Ramallah, waar chaos heerst en ook andere ouders zich verzamelen. Het is zo’n beeld dat je maar al te goed kent van televisie: verwarde, wanhopige mensen in een hal in een Palestijns ziekenhuis.
Maar de Amerikaans-Joodse schrijver Nathan Thrall speelt vervolgens klaar wat die televisiebeelden altijd nalaten. Hij duikt in de levens van de betrokkenen bij het busongeluk dat in februari 2012 aan zeven kinderen en een volwassene het leven kostte.
In het boek gaat het hem om de weg naar het ongeluk toe, en wat die vertelt over het leven in de bezette gebieden. Tegen de tijd dat je aan het slot van zijn reconstructie opnieuw met Abed en andere ongeruste ouders in de ziekenhuishal staat, in afwachting of hun kind dood is of levend, heeft de auteur je laten kennismaken met de dagelijkse realiteit op de Westelijke Jordaanoever. Hoe ieder leven er wordt bepaald door de politieke omstandigheden. En hoe ook in 2012 een noodlottig busongeluk er niet zomaar een ongeluk is.
Thrall trekt het spoor terug in de levens van hulpverleners, militairen, ooggetuigen, en betrokkenen, allereerst dat van vader Abed Salama, inwoner van Anata, een stad die ooit 31 vierkante kilometer groot was, maar sinds de bezetting is gekrompen tot 2,5 vierkante kilometer. Om het stadscentrum is een muur gezet, de rest van het gebied is door kolonisten geconfisqueerd om nederzettingen te bouwen.
Thrall schetst meerdere levensverhalen. Hij vertelt over Abeds droom om in Moskou rechten te gaan studeren maar geen paspoort krijgt van Israël en zo als werknemer in de bouw belandt. Hij wordt politiek actief, sluit zich na de Eerste Intifada (1987-1993) aan bij het Democratisch Front. Hij wordt opgepakt en gemarteld, zit meer dan een jaar vast in de gevangenis van Naqab, waar hij als ex-gedetineerde een groene identiteitskaart aan overhoudt, die maar beperkt doorgang geeft in de door Israël bezette gebieden.
Heftig is ook het verhaal van de 51-jarige arts Huda, die leiding geeft aan de mobiele gezondheidskliniek van UNRWA (de VN-organisatie voor Palestijnse vluchtelingen) en met haar minibus toevallig ter plekke is. Ze helpt om de verbrande chauffeur en kinderen uit de bus te bevrijden.
Tussen die levensverhalen door keert Thrall steeds weer terug naar de plek van het ongeluk waar hij weer andere draden oppakt. Hij schrijft over Dany Tirza, de Israëlische ontwerper van de afscheidingsmuur, wiens familie is vermoord in de Holocaust. We lezen over Khalil Joury, een Palestijnse verpleegkundige in het Hadassah-ziekenhuis die de wijlen Israëlische premier Ariel Sharon verpleegde na zijn beroerte en daarover een stuk publiceerde in het American Journal of Nursing. En we volgen moeders in de speurtocht langs de ziekenhuizen. Je kunt je er al lezend over verbazen hoe een samenleving die toch al decennia overal het nieuws beheerst, in het dagelijks leven toch zo onzichtbaar blijft − alsof er steeds weer eenzelfde blindheid optreedt. Thrall kleurt het in, tot aan de ingewikkeldste botsingen tussen de kleinste bevolkingsgroepen, Palestijnen versus Israëliërs, en Palestijnen onderling van verschillende politieke kleur, religie, herkomst.
Thrall benoemt de door Israëliërs opgelegde kleinere vernederingen, maar haalt ook Palestijnse wandaden en falen aan. We horen over zelfmoordaanslagen, over censuur in de moskeeën door de Palestijnse autoriteit. Thrall beschrijft het traditionele, patriarchale systeem waarin huwelijken gearrangeerd worden, vrouwen onder het juk van hun man leven.
De schrijver heeft het uitgebreid over de bredere oorzaken. Israëlische hulpdiensten bevonden zich op anderhalve minuut maar kwamen niet, ambulances werden tegengehouden bij de doorgang in de muur. Ouders worden in hun zoektocht gehinderd door ontbrekende vergunningen.
In zijn epiloog noemt Thrall het chronisch tekort aan klaslokalen in Oost-Jeruzalem, waardoor de kinderen door hun ouders zo ver weg naar school gestuurd worden. Hij noemt het vergunningenstelsel en de afscheidingsmuur die ervoor zorgden dat de klas een lange gevaarlijke omweg naar de rand van Ramallah moest maken in plaats van gewoon naar de speeltuinen dicht bij de school te kunnen gaan.
Tekst op basis van het artikel van Jann Ruyters in De Morgen van 13 juli 2024
De Amerikaans-joodse Thrall, die als onderzoeker werkte voor de International Crisis Group en al jaren in Jeruzalem woont, nam jaren de tijd om met alle betrokkenen te spreken, gaande van de Palestijnse ouders tot ambulancemedewerkers en joodse kolonisten. Het resultaat is een gelaagde journalistieke vertelling. De 30 bladzijden lange literatuurlijst achterin toont hoe grondig Thrall zijn huiswerk heeft gemaakt.
Door die grondigheid kan Thrall zichzelf als verteller wat op de achtergrond houden en op een beklemmende manier in het hoofd kruipen van zijn personages. Thrall vervalt niet in simplismen of in schreeuwerige analyses, hij houdt stevig vast aan twee principes: de feiten en het menselijke perspectief. Hij laat de gebeurtenissen voor zich spreken, maar door de ogen van de betrokkenen verweeft hij tegelijk wel de enorme complexiteit en de geladen historiek van het conflict. De rode draad is duidelijk: de pijnlijke absurditeit van het leven onder de joodse bezetting. Een systeem waarbij een hele bevolkingsgroep moedwillig onderdrukt wordt en dagelijks af te rekenen krijgt met paspoortperikelen, vergunningskwesties, controleposten, afscheidingen, acht meter hoge muren, enz… Het verhaal staat vol sprekende voorbeelden.
In de epiloog concludeert Thrall dat er bij het onderzoek naar het ongeval niets gezegd is over de echte oorzaken achter het drama. Thrall geeft dan een uitgebreide opsomming van die dieperliggende kwesties, gaande van het gebrek aan klaslokalen in Oost-Jeruzalem tot de ellende van het vergunningenstelsel en de controleposten. ‘Voor deze daden werd niemand ter verantwoording geroepen’
