Nieuws

Als internationale wetten tellen, waarom veroordelen Europese leiders de aanval niet?
Premier Keir Starmer, de Franse president Emmanuel Macron en de Duitse bondskanselier Friedrich Merz ontmoeten elkaar tijdens de Veiligheidsconferentie van München. (Picture by Simon Dawson)

Op 28 februari vallen Israël en de VS unilateraal Iran aan. Zonder VN-mandaat. Zonder aantoonbare onmiddellijke aanvalsdreiging en terwijl diplomatieke onderhandelingen nog lopende waren.

Als het internationaal recht werkelijk de “hoeksteen” is van het Europese buitenlandbeleid, dan zou de reactie ondubbelzinnig moeten zijn. Dat is ze niet.

Integendeel: waar men een principiële veroordeling zou verwachten van een aanval op een soevereine staat, horen we vooral strategische taal, geopolitieke berekeningen en impliciete alignering met Washington en Tel Aviv.

Europa dreigt mee te vechten

Het bleef niet bij terughoudende taal. Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk lieten verstaan dat zij zich militair zouden aansluiten bij het conflict als hun “belangen” of die van hun bondgenoten in gevaar komen.

Dat is geen neutrale positie. Dat is heel duidelijk kleur bekennen.

Met andere woorden: terwijl de juridische legitimiteit van de eerste aanval uiterst betwistbaar is, sluiten kernlanden van de Europese Unie niet uit dat ze die oorlog mee zullen voeren.

Dat roept een fundamentele vraag op: als het verbod op agressie een kernnorm is van het VN-Handvest, waarom wordt die norm niet expliciet verdedigd wanneer bondgenoten ze schenden? Wat betekent internationaal recht nog voor Europese leiders?

Diplomatie die werd genegeerd

Vlak voor het uitbreken van de oorlog gaf Iran in onderhandelingen aan bereid te zijn verregaand tegemoet te komen aan eisen rond zijn nucleaire programma en regionale veiligheidsmechanismen. Diplomatie was niet ingestort. Ze werd ingehaald door militaire actie.

Ook dat “detail” blijft opvallend afwezig in veel Europese verklaringen.

Als oorlog wordt gestart terwijl onderhandelingstrajecten nog lopen, dan is het moeilijk om dit te framen als pure zelfverdediging. Toch wordt die juridische toetsing nauwelijks publiek gevoerd in Europese hoofdsteden of media.

De Israël-factor: geen buitenstaander, maar kernspeler

Wat in Europese verklaringen bijna systematisch wordt vermeden, is een open analyse van de rol van Israël zelf.

Israël presenteert zijn veiligheidsstrategie al jaren als een existentiële strijd tegen Iran. Die strategie wordt actief ondersteund door de Verenigde Staten, maar ook door Europese landen, via politieke, militaire en economische kanalen.

De Europese Unie onderhoudt met Israël het verregaande EU-Israel Association Agreement dat Israël toegang geeft tot de Europese interne markt, onderzoeksprogramma’s, en handelsvoordelen. Dat akkoord bevat expliciet een clausule die respect voor mensenrechten als essentieel element definieert.

Toch werd die clausule nooit effectief ingeroepen, ondanks herhaaldelijke militaire escalaties en schendingen van internationaal humanitair recht.

Daarnaast is er een groeiende militaire en technologische verwevenheid. Europese landen kopen Israëlische drones, surveillance-technologie en raketsystemen. Israëlische defensiebedrijven profileren hun producten als “battle-tested” (getest in reële conflicten) en vinden daarmee gretig afzet in Europa.

De oorlog is dus geen verre realiteit voor Europa. Europa is economisch en technologisch ingebed in de veiligheidsarchitectuur van Israël.

Wanneer Israël escaleert tegenover Iran, blijft dat niet beperkt tot een regionale beslissing. Door de bestaande defensiesamenwerking en strategische alignering wordt het automatisch een westers veiligheidsdossier.

Dat creëert een perverse dynamiek: 1. Israël definieert een existentiële dreiging. 2. De VS vertalen dat in militaire actie. 3. Europese landen spreken over “solidariteit met hun bondgenoten”. 4. Het internationaal recht verschuift naar de achtergrond.

Maar voor Europese burgers betekent die logica hogere defensiebudgetten, meer geopolitieke risico’s, stijgende energieprijzen en grotere veiligheidsdreiging op eigen bodem.

Het is dus legitiem om te vragen: wiens belangen worden hier eigenlijk verdedigd?

Spanje als uitzondering

In dat klimaat koos Pedro Sánchez ervoor om openlijk de oorlogspolitiek van de Verenigde Staten en Israël te veroordelen, de aanval op Iran te bestempelen als een potentieel wereldwijde ramp én te weigeren om Spaanse militaire bases ter beschikking te stellen voor Amerikaanse acties in de regio. President Trump dreigde daarop om alle handel met Spanje stop te zetten. Spanje hield echter stand en benadrukte dat het zijn onafhankelijk buitenlands beleid niet zal laten bepalen door economische chantage. Dat leidde tot diplomatieke spanning met Washington.

Het feit dat zo’n positie uitzonderlijk is binnen de EU zegt veel. En uiteraard is de vraag hoe lang Spanje dit zal kunnen blijven volhouden?

Want wie het internationaal recht consequent toepast, komt politiek geïsoleerd te staan.

Selectieve rechtsorde

Wanneer Rusland Oekraïne binnenvalt, spreekt Europa terecht over “agressie en schending van soevereiniteit”. Wanneer de Verenigde Staten en Israël een aanval uitvoeren zonder internationaal mandaat, spreekt Europa over “complexe veiligheidssituaties”.

Internationaal recht kan niet functioneren als het selectief wordt toegepast. Het verbod op agressie is geen geopolitieke optie; het is een fundamentele norm.

Zodra bondgenootschappelijke belangen zwaarder wegen dan die norm, verandert Europa van verdediger van de rechtsorde in een partij binnen een machtsblok.

Wat nu?

Als internationale wetten werkelijk tellen, dan vereist dat politieke moed:

  • een expliciete veroordeling van aanvallen zonder mandaat;
  • een herziening van militaire relaties en wapenhandel;
  • een heroverweging van associatieverdragen die mensenrechtenclausules bevatten maar zelden worden toegepast;
  • en een actieve diplomatie die escalatie voorkomt in plaats van ze impliciet te legitimeren.

Zonder die helderheid verliest Europa niet alleen geloofwaardigheid tegenover de rest van de wereld. Het verliest ook het morele kompas waarmee het zichzelf definieert.

De vraag is niet of Europa diplomatiek voorzichtig moet zijn. De vraag is of voorzichtigheid een dekmantel wordt voor medeplichtigheid.