Wie de geschiedenis van Israël als een reeks losse incidenten leest, een oorlog hier, een nederzetting daar, een betreurenswaardige escalatie nu, mist de lijn. Er is een lijn. Ze loopt van het territoriale programma dat de World Zionist Organisation in 1919 aan de Vredesconferentie van Parijs voorlegde, een claim op heel historisch Palestina en meer, tot in Libanon, de Golanhoogte van Syrie en het vruchtbare land ten oosten van de Jordaan, Dit via georganiseerde grondaankopen vóór 1948, de verovering van bijna 80 procent van Palestina in 1947-1949, naar 1967, naar de annexatie van Oost-Jeruzalem en de Golanhoogte begin jaren ’80, naar de sluipende inlijving van de Westelijke Jordaanoever, en tot vandaag naar Zuid-Libanon en Zuid-Syrië. Het is één consistente logica, en er bestaat een academische term voor: settler colonialism, vestigingskolonialisme.
Dat is geen scheldwoord. Het is een analytisch begrip, en het verschilt wezenlijk van het klassieke kolonialisme van een moederland dat kolonisten uitzendt en winsten terugtrekt. Vestigingskolonialisme heeft geen moederland nodig. Het draait niet om individuele gebeurtenissen maar om één structuur: een bevolking die zich permanent vestigt en de plaatselijke bevolking vervangt.
Verdedigers zeggen: dit was geen kolonisatie maar de zelfbeschikking van een vervolgd volk dat in Europa met de Holocaust werd geconfronteerd. Dat veel immigranten vluchtelingen waren, klopt. En het doet niets af aan de structuur. Of de stichters nu door vervolging gedreven werden of door verovering, het resultaat op de grond is een project dat de bestaande bevolking vervangt. Motief en mechanisme zijn twee verschillende dingen. Het ene is begrijpelijk, het andere blijft wat het is.
Een tweede tegenwerping snijdt dieper: het zionisme claimt een terugkeer in plaats van kolonisatie. Maar een oude band met een land is één ding; het recht om op grond van zo’n band de huidige bewoners te verdrijven is een ander. Het internationaal recht kent aanspraken toe naar wie er leeft, niet naar wie er tweeduizend jaar geleden leefde; anders lag de halve wereldkaart open. De vraag is dus niet wiens band de oudste is, maar of oude aanwezigheid het verdrijven van de huidige bevolking wettigt. Ze doet dat niet.
Vestigingskolonialisme is geen Israëlische uitvinding. De Verenigde Staten, Canada en Australië zijn erop gebouwd, en telkens werkte dezelfde juridische fictie. Het land werd tot terra nullius verklaard, niemandsland, of viel onder de doctrine of discovery: de inheemse bevolking was er wel, maar werd wettelijk weggedacht, niet erkend als eigenaar omdat ze niet tot de “beschaafde” naties werd gerekend. Australië hield die fictie in stand tot het Hooggerechtshof haar in 1992 verwierp, de Mabo-uitspraak. De Canadese Waarheids- en Verzoeningscommissie noemde het internaatssysteem in 2015 “culturele genocide”. Het zionisme had zijn eigen versie van diezelfde ontkenning, in de leuze die de vroege beweging vergezelde: “een land zonder volk voor een volk zonder land”. De aanwezige bevolking wettelijk en retorisch wegdenken is geen randverschijnsel maar de motor van de structuur.
Israël hoort in dit gezelschap thuis, en juist het gezelschap legt het scherpst uit waarom “het is een normale westerse democratie” geen verweer is: ook de VS, Canada en Australië worden vandaag gezien als normale democratieën, gebouwd op eliminatie. Eén verschil telt, en het is geen vrijspraak voor die landen: ook daar duren discriminatie en geweld tegen de inheemse bevolking voort — Canada’s eigen onderzoekscommissie naar de vermoorde en verdwenen inheemse vrouwen sprak in 2019 nog van genocide. Maar de staat erként er inmiddels wat de structuur was: een hofuitspraak hier, een verzoeningscommissie daar. Bij Israël ontbreekt zelfs die erkenning, en vooral: het is geen verleden. De vestiging zelf gaat door, nu, in de tegenwoordige tijd.
De methode lag vast vóór de staat bestond. In de decennia voor 1948 werd grond systematisch en institutioneel verworven, en de verwerving droeg haar naam openlijk. Baron Edmond de Rothschild financierde vanaf de jaren 1880 zelf kolonies; in 1891 richtte baron Maurice de Hirsch de Jewish Colonization Association op, waaraan Rothschild in 1899 zijn kolonies overdroeg; in 1924 werd daaruit, onder Rothschilds zoon James, de Palestine Jewish Colonization Association. Samen met het Joods Nationaal Fonds kochten deze fondsen land, vaak met uitzetting van de Palestijnse pachters tot gevolg. Tegen 1947 bezaten ingeweken joodse kopers volgens de Britse Survey of Palestine nog geen 6 procent van het land. Beslissend is niet het percentage, maar het beginsel: de statuten van het Joods Nationaal Fonds verboden uitdrukkelijk de overdracht van verworven grond aan niet-Joden. Verwerven en uitsluiten, dat was het sjabloon, lang voor er een leger of een staat was.
1947-1949: van bijna 6 procent naar 78 procent. Het VN-verdelingsplan van 1947 wees ongeveer 55 procent van Palestina toe aan een joodse staat, aan een gemeenschap van inwijkelingen die een derde van de bevolking vormde en bijna 6 procent van de grond bezat. Tegen de wapenstilstand van 1949 hield Israël ruwweg 78 procent van het mandaatgebied. Meer dan 750.000 Palestijnen werden verdreven of vluchtten. Dat is de Nakba. En meteen werd de asymmetrie wettelijk verankerd die tot vandaag geldt: de Wet op de Terugkeer (1950) geeft elke jood ter wereld het automatische recht zich te vestigen en staatsburger te worden, terwijl de terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen, bevestigd in VN-resolutie 194, categorisch geweigerd blijft. De ene deur staat permanent open, de andere permanent dicht.
Geen grenzen, bij wijze van beleid. Een normaal land kent een vastgesteld grondgebied. Israël heeft tot op vandaag geen definitieve staatsgrenzen afgekondigd. Het was beleid: David Ben-Gurion weigerde in 1948 grenzen vast te leggen om ruimte te houden voor uitbreiding. Een project dat zijn controle uitbreidt, kan zijn grenzen niet bevriezen. Enkel met Egypte (1979) en Jordanië (1994) zijn grenzen verdragsrechtelijk vastgelegd, en pas nadat het in 1947-49 veroverde gebied als het zijne was aanvaard.
1967 en wat volgde. De bezetting van de Westbank, inclusief Oost-Jeruzalem, de Gazastrook en de Golanhoogte zette de lijn voort. Oost-Jeruzalem werd in 1980 geannexeerd, de Golan in 1981, beide door de VN-Veiligheidsraad “nietig en zonder rechtskracht” verklaard (resoluties 478 en 497). Op bezet gebied verrezen kolonies, illegaal onder artikel 49 van de Vierde Conventie van Genève. In juli 2024 oordeelde het Internationaal Gerechtshof dat de Israëlische aanwezigheid in de bezette Palestijnse gebieden als geheel onrechtmatig is en moet eindigen.
Zelfs de ogenschijnlijke uitzondering bevestigt de lijn. In 2005 ontruimde Israël al zijn kolonies in de Gazastrook, de enige keer dat het kolonisten terugtrok. Maar de architect van dat plan, Sharon-adviseur Dov Weisglass, benoemde het doel openlijk: het politieke proces bevriezen zodat er geen Palestijnse staat komt, en van de 240.000 kolonisten er 190.000 laten waar ze zijn, De Gazastrook werd afgestoten om de Westbank te consolideren. En “terugtrekking” was geen dekolonisatie: Israël hield de grenzen, het luchtruim, de kust en het bevolkingsregister in handen, waardoor de bezetting volkenrechtelijk bleef bestaan. De logica was niet minder territoriaal, alleen efficiënter: maximaal overwicht met zo min mogelijk Palestijnen erbinnen.
De structuur is zichtbaar in de wet. Dit zijn geen losse misstappen maar één coherent stelsel. Op de Westbank gelden twee rechtssystemen naast elkaar: kolonisten vallen onder het Israëlische burgerlijk recht, Palestijnen onder militair recht, met administratieve detentie zonder aanklacht of proces. Amnesty International, Human Rights Watch en het Israëlische B’Tselem kwalificeren dit als apartheid. De Basiswet van 2018 definieert Israël niet als staat van al zijn burgers, maar als natiestaat uitsluitend van het joodse volk, met het zelfbeschikkingsrecht voorbehouden aan één etnisch-religieuze groep. En in februari 2026 hevelde het Israëlische kabinet bevoegdheden over de Westbank van het leger naar civiele ministeries en begon het Palestijnse grond als staatsbezit te registreren. Analisten omschreven dat als annexatie in alles behalve naam.
De Gazastrook en de grens van het begrip. Palestijnse mensenrechtenorganisaties, Al-Haq, Al Mezan en het Palestinian Centre for Human Rights, documenteerden de misdaden vanaf de eerste dagen en benoemden ze al in oktober 2023 als genocide; in november 2023 vroegen ze het Internationaal Strafhof om arrestatiebevelen tegen Netanyahu en Gallant, een jaar voordat die er kwamen. De bevestiging volgde stap voor stap. De onafhankelijke VN-onderzoekscommissie voor de bezette Palestijnse gebieden concludeerde in september 2025 dat Israël genocide pleegde tegen de Palestijnen in de Gazastrook. In een rapport van 23 juni 2026 stelde diezelfde commissie vast dat de genocide doorgaat, ook na het staakt-het-vuren van oktober 2025, en dat het opzettelijk doden van Palestijnse kinderen een van de elementen is waaruit de genocidale intentie blijkt. Amnesty International en B’Tselem kwamen eerder tot dezelfde kwalificatie. Zowel de VN-commissie als deze organisaties zijn onafhankelijk en geen partij bij het conflict. Israël verwerpt hun conclusies als partijdig, maar heeft er geen eigen, onafhankelijk tegenonderzoek tegenover gesteld: de betwisting is politiek, de vaststelling berust op onderzoek. En dat de Palestijnse vaststelling pas lijkt te tellen zodra westerse en Israëlische instanties haar herhalen, is geen toeval: het is dezelfde hiërarchie van wiens woord telt, die verderop in dit stuk in de taal van de berichtgeving terugkeert. Daarnaast loopt nog een aparte juridische weg: in de zaak die Zuid-Afrika in december 2023 bij het Internationaal Gerechtshof aanspande, gaf het Hof in januari 2024 al voorlopige maatregelen tegen een plausibel risico van genocide. En in november 2024 vaardigde het Internationaal Strafhof arrestatiebevelen uit tegen premier Netanyahu en oud-minister Gallant voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. De feitelijke vaststelling ligt er dus al, meervoudig en onderbouwd. De gerechtelijke afhandeling moet nog volgen, en dat is iets anders dan twijfel.
De lijn loopt door tot nu. Na de val van Assad bezette Israël in december 2024 de bufferzone in Syrië en de top van de Hermonberg, “voor onbepaalde tijd”. In 2026 hield het een militaire zone in Zuid-Libanon; samen met de nieuwe posities in de Gazastrook en Syrië gaat het om ongeveer 1.000 vierkante kilometer, door de Israëlische krant The Times of Israel omschreven als Israëls grootste territoriale expansie in decennia. Tel alles bij elkaar, erkend Israël, de geannexeerde gebieden, de bezette gebieden, de militaire zones, en Israël controleert vandaag ongeveer 40 procent meer grondgebied dan het na de wapenstilstand van 1949 hield. En zelfs zonder die jongste zones is het al ruim een derde meer, alleen door de decennia-oude bezetting van Westbank, inclusief Oost-Jeruzalem en de Golanhoogte. Dit is dus geen recente ontsporing, het is de constante.
De kolonisatie zelf is geen verleden tijd, alleen de naam veranderde. De grondaankopen van vóór 1948 droegen een openlijke titel: de Palestine Jewish Colonization Association. Wie denkt dat die fase is afgesloten, vergist zich. Vandaag heet het Aliyah. Onder de Wet op de Terugkeer organiseert en bekostigt de staat de joodse vestiging actief, via het ministerie van Aliyah en het Joods Agentschap, met woon-, huur- en belastingvoordelen. In 2024 ging het om ruim 31.000 nieuwkomers, met een groeiend aandeel uit West-Europa en Noord-Amerika. Dat er de jongste jaren per saldo méér Israëli’s vertrekken dan er aankomen, verandert niets aan de aard van het project: kolonisatie is geen kwestie van het nettosaldo, maar van wie de staat met publiek geld binnenhaalt en wie hij categorisch buitensluit. De toegang staat open naar afkomst, niet naar wie er geworteld was.
Hier hoort een onderscheid dat vaak wordt overgeslagen. Immigranten en vluchtelingen komen om deel te worden van een bestaande samenleving. Dat is van alle tijden, en zulke mensen werden ook opgevangen, door het Ottomaanse Rijk toen Europa zijn joden verdreef. Kolonisten doen het omgekeerde: zij komen om hun eigen samenleving op te leggen aan de bevolking die er al woont. Het zionistische project was in zijn opzet het tweede. Niet aansluiten bij de Palestijnse samenleving, maar er een nieuwe, dominante naast en bovenop bouwen, via grondverwerving, uitsluiting en, in 1948-1949, verdrijving. Dat project was Europees van opzet: het politieke zionisme ontstond in het negentiende-eeuwse Europa, als nationale beweging naar Europees model en als antwoord op de Europese vervolging van de joden. De kolonisten die het uitvoerden, hoefden dat niet te zijn. Of de nieuwkomer nu uit Warschau, Bagdad, Addis Abeba of Brooklyn kwam, verandert daar niets aan. De vraag is niet welk geloof of welk werelddeel, maar de verhouding tot wie er al was.
En dat onderscheid wordt onontkoombaar waar de vestiging op bezet gebied gebeurt. Wie zich vestigt in een kolonie op de bezette Westbank, wat Israël Judea en Samaria noemt, krijgt méér. Ongeveer driekwart van de kolonies is aangemerkt als “nationaal prioriteitsgebied”, met kortingen op grond, door de staat gewaarborgde hypotheken, infrastructuursubsidies en salaristoeslagen. Volgens de Israëlische mensenrechtenorganisatie B’Tselem is dat geen toeval, maar een doelbewust beleid om burgers naar de Westoever te laten migreren, op land waar Palestijnen wonen of van werden verdreven. De kolonistenbevolking is intussen tot meer dan 700.000 gegroeid. Dat is, woordelijk, vestigingskolonialisme: een staat die zijn eigen burgers met publiek geld op bezet gebied vestigt. Niet vroeger, maar nu, met een begrotingslijn eronder.
Dezelfde ontkenning werkt in de taal. De structuur die de inheemse bevolking wegdenkt, keert terug wanneer het geweld wordt verslagen. Nu verdwijnt niet het slachtoffer uit beeld, maar de dader. Het mechanisme is grammaticaal: de lijdende vorm zonder handelende persoon. “Palestijnen kwamen om.” “Een kind werd gedood.” Wie het deed, valt uit de zin. En met de dader verdwijnt het patroon waartoe hij behoort. Een kolonisatie die oprukt, in de Gazastrook door genocide, in Libanon as we speak door bombardement en aangekondigde kolonie, wordt zo teruggebracht tot een reeks losse doden zonder oorzaak.
Dit is geen indruk maar een gemeten patroon. Mediacriticus Adam Johnson telde op de voorpagina van The New York Times in de eerste twee maanden ongeveer 32 verwijzingen naar Russische agency (“Rusland bombardeert”, “Moskou bombardeert”) tegenover twee voor Israël (“explosie”, “ziekenhuis onder vuur”) (uitgewerkt in zijn boek How to Sell a Genocide, 2026). Wie handelt, wordt genoemd of weggelaten. Dezelfde scheefte zit in de woordkeuze. Een analyse van The Intercept (januari 2024) van ruim duizend artikelen in de NYT, The Washington Post en de Los Angeles Times vond “slachting” en “bloedbad” bijna tweehonderd keer voor gedode Israëli’s en vijf keer voor Palestijnen, terwijl het Palestijnse dodental toen al twintig keer hoger lag. Een uitgelekt NYT-memo (april 2024) instrueerde redacteuren “genocide” en “etnische zuivering” te beperken en “bezet gebied” te mijden. Precies de woorden die de kolonisatie benoembaar maken. Het is geen Amerikaanse eigenaardigheid: in november 2023 schreven acht BBC-journalisten zelf een brief tegen de dubbele maat van hun werkgever, afgezet tegen diens “onverschrokken” verslag van de Russische oorlogsmisdaden.
Hier valt het standaardverweer weg. Men zegt: in de mist van de oorlog weet je niet wie schoot. Maar diezelfde terughoudendheid geldt niet voor Rusland, waar de dader meteen bij naam wordt genoemd. Terughoudendheid die maar één kant op werkt, is geen terughoudendheid. Het is een positie. De dader heeft een naam. Het patroon ook.
Waarom aanvaarden we het dan als een gewone staat? Die vraag is ongemakkelijker dan ze lijkt, want het antwoord wijst naar onszelf. Er zijn twee lagen. De motor is belang. Israël is voor het Westen een leverancier en afnemer van wapens, een partner in inlichtingen-, bewakings- en cybertechnologie, en een strategische voorpost in een regio die het als instabiel beschouwt. Europese regeringen die Israël veroordelen, blijven zijn luchtafweersystemen kopen, uit vrees voor Russische drones. Dat belang ligt niet bij de gemiddelde burger maar bij staten en industrieën, en het is precies wat de afkeuring zo zelden tot daden maakt. Het is geen verborgen hand, het is zichtbare realpolitik.
Maar belang alleen verklaart niet waarom het draaglijk voelt. Daarvoor dient de tweede laag, het smeermiddel: een ouder kader dat de Palestijnse dode minder zwaar laat wegen dan de Israëlische of de Oekraïense. Dat kader is niet door tegenstanders bedacht. Herzl beschreef de toekomstige staat in 1896 al als “een voorpost van beschaving tegenover barbarij”, een wal van Europa tegen Azië. Israël plaatste zich vanaf het begin in dat schema, als het Westen aan de rand van een als barbaars voorgestelde regio. Dat is de oriëntalistische erfenis, een hiërarchie waarin de ene beschaving telt en de andere wordt getolereerd of overwonnen. Ze verlaagt de morele prijs van het belang. Ze maakt “de enige democratie in de regio” een geloofwaardig zelfbeeld en de dubbele maat met Rusland vanzelfsprekend in plaats van schandalig.
Belang is de motor, het beschavingsframe het smeermiddel. Geen van beide is een natuurwet. Een motor kun je stilleggen, een smeermiddel kan opdrogen. En dat begint te gebeuren: de Westerse steun zakt naar het laagste niveau ooit gemeten, en het ene land na het andere erkent de Palestijnse staat.
Wie dit alles als afzonderlijke gebeurtenissen blijft lezen, kiest ervoor de lijn niet te zien. Voor België en Europa is dat geen neutrale keuze. Toen Wallonië in 2024 exportlicenties voor wapenmateriaal naar Israël opschortte, met expliciete verwijzing naar de ordonnantie van het Internationaal Gerechtshof, erkende het wat de feiten zeggen. De rest van de vraag is even simpel als ongemakkelijk: blijf je een kolonisatieproject behandelen als een normale staat, of noem je het bij zijn naam?
Het bij naam noemen is de eerste stap. Maar het is niet de laatste, en hier draait dit stuk bewust van de vaststelling naar de uitweg, want die is er.
Wat is dan wél een normale staat? Het antwoord zit in de vraag waarmee dit begon. Israël is niet abnormaal omdat het een nationaal karakter heeft, dat hebben veel democratieën. Het is abnormaal omdat dat karakter alleen overeind blijft door een deel van de oorspronkelijke bevolking te verdrijven, een ander deel zonder stem te besturen, en het zelfbeschikkingsrecht wettelijk aan één etnisch-religieuze groep voor te behouden. Daar breekt de vergelijking met de gewone natiestaat: die hoefde zijn titulaire meerderheid niet te fabriceren door verdrijving. Een normale staat is er een die al haar burgers als gelijken behandelt, ongeacht geloof of afkomst. Dat is de maatstaf die we aan elke democratie aanleggen. En precies daar ligt de uitweg: niet in de eerste plaats in een territoriale formule, maar in dat ene beginsel.
Die maatstaf is bovendien niet vreemd aan de regio, integendeel. Lang voor het zionisme bestond, was historisch Palestina een plurale samenleving: moslims, christenen en joden leefden er samen, eerst onder Arabisch, dan vijf eeuwen onder Ottomaans bestuur. Dat was geen moderne gelijkheid. Het millet-stelsel was hiërarchisch en geen democratie met gelijke rechten. Maar het is oneerlijk om het aan vandaag te meten in plaats van aan zijn eigen tijd. Afgezet tegen het Europa van de Inquisitie, de pogroms en de godsdienstoorlogen was het opvallend verdraagzaam: religieuze gemeenschappen bestuurden hun eigen recht, en niet-moslims bekleedden invloedrijke posities. Twee ijkpunten tonen het patroon, telkens waar Europa joden verdreef en een moslimheerser hen terugriep. Nadat de kruisvaarders in 1099 de Palestijnen van Jeruzalem hadden afgeslacht en de stad bijna een eeuw lang voor hen gesloten hielden, stond Saladin na zijn herovering in 1187 de joodse vestiging weer toe en moedigde hij de terugkeer aan; er kwamen joden uit Ashkelon, Jemen en Noord-Afrika. En toen Spanje in 1492 zijn joden verdreef, ving het Ottomaanse Rijk hen op: sultan Bayezid II stuurde er zijn vloot voor, en de Sefardische ballingen werden er artsen, diplomaten en drukkers. De regionale traditie was er een van plurale coëxistentie: Palestina was een land van moslims, christenen én joden, en de inheemse, Arabisch-sprekende joden van Jeruzalem, Hebron, Safed en Tiberias waren er even geworteld als hun buren. Pas het zionisme maakte van “jood” een natie tegenover “Palestijn”, en wiste sinds 1948 de joodse component van het Palestijnse leven uit. De etnisch-exclusieve natiestaat is niet uit de regio voortgekomen; hij is ertegen ingebracht, geïmporteerd uit hetzelfde Europese nationalisme dat de joden had vervolgd.
Het idee dat Israëli’s en Palestijnen als gelijken kunnen samenleven, is dus geen recente of eenzijdige uitvinding. Het werd door de Palestijnse leiders in het Britse mandaatgebied bepleit alsook door een joodse beweging van de Europese inwijkelingen, Brit Shalom, met denkers als Martin Buber en Judah Magnes: een staat waarin geen van beide volkeren het andere overheerst. Begin jaren zestig nam de PLO het op in haar oproep voor een “seculiere democratische staat”, en vandaag wordt het opnieuw verdedigd door Palestijnse en Israëlische intellectuelen. Over de vorm valt te twisten: één staat, een federatie, een binationaal model. Over het beginsel niet: gelijkwaardig burgerschap. Dat de gelijkheidsgedachte wortels heeft aan beide kanten, maakt haar geen partijstandpunt maar een gedeelde traditie.
Erkenning gaat vooraf aan herstel. Zoals bij elke misdaad en elk trauma kan verwerking pas beginnen na erkenning. Er is geen verzoening zonder eerst de waarheid te benoemen. Dat is de logica van elke transitionele rechtspraak, van Zuid-Afrika tot de Canadese Waarheids- en Verzoeningscommissie die eerder in dit stuk opdook. De volgorde ligt vast: eerst erkennen dat er onrecht is begaan, dan herstel, dan pas een gedeelde toekomst. Wie die volgorde omdraait en “vrede” vraagt zonder erkenning, vraagt de slachtoffers te vergeten in plaats van te helen.
En dan de hoopvolle kant, want die bestaat. Het aantal stemmen dat het onrecht bij naam noemt, groeit, ook binnen Israël. Historici als Ilan Pappé, journalisten als Gideon Levy en Amira Hass schrijven, tegen hun eigen staat in, over wat er gebeurt. Naar hen luisteren en hun een podium geven hoort bij de taak. Maar de eerste stem hoort aan de Palestijnen zelf, in hun volle verscheidenheid, als volwaardige partners die zelf bepalen wat ze met hun land willen, niet als een dossier waarover anderen beslissen. Het is de gewone consequentie van het besef dat de tijd van kolonialisme en racisme voorbij hoort te zijn.
De taak voor wie van buiten toekijkt, is dan eenvoudig genoeg om er vandaag mee te beginnen. Niet het project steunen, maar iedereen die de misdaad erkent en aan herstel wil bouwen, Palestijns én Israëlisch. Een stem geven in plaats van overstemmen. De uitkomst is niet gegarandeerd en de weg is lang, maar de richting is helder, en ze is het tegendeel van een doembeeld: van een orde die mensen sorteert in rechthebbenden en rechtelozen, naar een orde waarin al wie er woont gelijk is voor de wet. Welke vorm dat aanneemt, één staat, twee staten, een federatie, is aan de bewoners zelf; het beginsel dat eraan voorafgaat is niet onderhandelbaar. Niet omdat een land geen eigen karakter mag hebben, maar omdat geen karakter het sorteren van mensen naar afkomst rechtvaardigt.
Dat is ook waar wij ons bij Palestina Solidariteit voor inzetten: niet voor een kamp tegen een ander, maar voor het internationaal recht en de mensenrechten van álle burgers, en voor de eerlijke erkenning dat zolang de ongelijke machtsverhouding onbenoemd blijft, geen rechtvaardige vrede mogelijk is. Het recht bij naam noemen is de minimale voorwaarde voor alles wat daarna komt.
Bronnen ter verificatie: Zionist Organization, Statement on Palestine, Vredesconferentie van Parijs, 3 februari 1919 (territoriale claims incl. Litani, Hermon, Transjordanië); British Survey of Palestine (grondbezit); Jewish Colonization Association (1891, de Hirsch) en Palestine Jewish Colonization Association (1924, Rothschild); Mabo v. Queensland (No. 2), Australisch Hooggerechtshof, 3 juni 1992 (terra nullius); Canadese Waarheids- en Verzoeningscommissie, 2015 (“culturele genocide”); VN-resoluties 194, 478, 497; Canadese National Inquiry into Missing and Murdered Indigenous Women and Girls, eindrapport 2019 (genocide); Dov Weisglass, interview Haaretz, oktober 2004 (de Gazastrook-terugtrekking als “formaldehyde”, bevriezing politiek proces, 190.000 van 240.000 kolonisten blijven); ICJ-adviesopinie 19 juli 2024 (onrechtmatige bezetting); ICJ-zaak South Africa v. Israel, voorlopige maatregelen 26 januari 2024 en verweerschrift maart 2026; VN-onderzoekscommissie voor de bezette Palestijnse gebieden, conclusie genocide september 2025 en vervolgrapport 23 juni 2026; PCHR, Al-Haq en Al Mezan, gezamenlijke documentatie en verklaringen sinds oktober 2023 en ICC-verzoek november 2023 (genocide, apartheid, arrestatiebevelen); ICC-arrestatiebevelen november 2024; Al Jazeera Open Source Unit, 26 mei 2026, en The Times of Israel, juni 2026 (ca. 1.000 km² nieuwe militaire controle in de Gazastrook, Zuid-Libanon en Zuid-Syrië); Brit Shalom (binationalisme, jaren 1920) en PLO-positie “seculiere democratische staat” (begin jaren 1970) en aanvaarding twee-staten (1988); Ottomaans millet-stelsel, de heropening van Jeruzalem voor joden onder Saladin (1187) en de opvang van Sefardische joden door Bayezid II (1492); Amnesty International, Human Rights Watch en B’Tselem (apartheid; genocide); Max Planck Institute for Demographic Research, november 2025; Basiswet natiestaat 2018; Israëlische kabinetsbesluiten februari 2026; Israëlisch CBS en ministerie van Aliyah (immigratie- en emigratiecijfers 2024-2025); B’Tselem, “Land Grab” en analyse nederzettingssubsidies / nationale prioriteitsgebieden (kolonistenbevolking 700.000+); Adam Johnson, How to Sell a Genocide (2026) en The Intercept (Johnson & Ali), januari 2024, en intern NYT-memo april 2024; The Nation, analyse CNN/MSNBC; brief BBC-journalisten november 2023 (mediakadering); Theodor Herzl, Der Judenstaat (1896), “outpost of civilization as opposed to barbarism”; Waals Gewest, opschorting exportlicenties wapenmateriaal naar Israël, februari 2024; YouGov-peiling Westerse opinie (laagste steun ooit) en erkenningen van de Palestijnse staat door o.a. Spanje, Ierland, Noorwegen, Slovenië, het VK, Canada, Australië, Frankrijk (2024-2025).
— Sinan Oguzcan
