39 jaar geleden, op 29 augustus 1987, overleed Naji al-Ali in een ziekenhuisbed in Londen. Hij werd op 22 juli 1987 buiten zijn werkplek neergeschoten door een onbekende schutter; één kogel bracht hem in een coma waaruit hij nooit meer ontwaakte.
Al-Ali was één van de invloedrijkste Arabische politieke cartoonisten van de twintigste eeuw, met zijn pen schonk hij de wereld ‘Handala’, het blootvoetse Palestijnse kind dat weigert te kijken naar een wereld die hem in de steek heeft gelaten.
Van Shajara naar Ain al-Hilweh
Naji al-Ali werd rond 1938 geboren in Shajara, een dorp in het noorden van Palestina, gelegen tussen Tiberias en Nazareth. Tijdens de Nakba van 1948 werd het dorp verwoest en werd de Palestijnse bevolking verdreven als gevolg van de zionistische kolonisatie en etnische zuivering van het land. Net als bij zoveel Palestijnse kinderen van zijn generatie kwam er door die massale verdrijving een abrupt einde aan zijn kindertijd. Zijn familie vluchtte naar Libanon, waar Naji opgroeide in het vluchtelingenkamp Ain al-Hilweh, in het zuiden van het land. De ervaring van de verdrijving beïnvloedde niet alleen zijn werk; het vormde de kern ervan.
In 1960 schreef hij zich in aan de Libanese Academie voor Schone Kunsten in Beiroet, maar werd al snel gevangengezet vanwege zijn politieke activiteiten, waardoor hij zijn studies niet kon afmaken. Na zijn vrijlating werkte hij als tekenleraar in Tyre, en in 1961 publiceerde de schrijver Ghassan Kanafani enkele van zijn vroege tekeningen in Al-Hurriya (‘de vrijheid’). In 1963 verhuisde hij naar Koeweit, waar hij begon met het publiceren van cartoons voor Al-Siyasa (‘de politiek’).
Gedurende zijn gehele artistieke loopbaan produceerde al-Ali meer dan veertigduizend cartoons, die in Arabische en internationale publicaties werden uitgegeven en waarmee hij zowel dictators, koningen als presidenten tegen zich in het harnas joeg.
Handala is een personage dat al-Ali in 1969 creëerde toen hij in Koeweit werkte, een 10-jarige jongen op blote voeten die is uitgegroeid tot één van de meest herkenbare symbolen van het Palestijnse verzet en het recht op terugkeer. Zijn uiterlijk is eenvoudig: haveloze kleren, stekelig haar en een houding die boekdelen spreekt. Na 1973 voegde al-Ali het detail toe dat het beeld wereldwijd onmiddellijk herkenbaar maakte — Handala keert de kijker de rug toe, met zijn handen achter zijn rug gevouwen, weigerend te kijken naar de wereld die hem in de steek heeft gelaten.
Het personage heeft meerdere betekenislagen, die al-Ali zelf heeft toegelicht. Zijn naam is afgeleid van de handal, een bittere vrucht die groeit in de droge heuvels van Palestina; de wortels reiken diep, zelfs wanneer de plant wordt omgehakt, schiet hij weer uit.
Hij tekende Handala bewust als “een kind dat niet mooi is” en het stekelige haar maakte deel uit van die keuze. De doornen zijn een wapen: een kleine, weerloos ogende jongen die toch terug kan vechten. Het versterkt het hele personage: niet schattig, niet gepolijst, niet passief. Een ruige jongen uit de kampen die zichzelf beschermt omdat niemand anders dat doet. En de afgekeerde rug? Een afwijzing van medelijden, van buitenlandse interventie vermomd als hulp, van elke oplossing die niet begint bij Palestijnse zelfbeschikking.
“Handala werd geboren als een kind van 10 jaar en hij zal altijd 10 jaar oud blijven. Op die leeftijd verliet ik mijn thuisland.” “Wanneer Handala terugkeert, zal hij nog steeds 10 jaar oud zijn, en pas dan zal hij beginnen op te groeien.”
Dit vat de hele structuur van het Palestijnse recht op terugkeer samen. Groei wordt uitgesteld totdat aan de voorwaarde voor thuiskomst is voldaan. De jongen kan niet volwassen worden omdat zijn verhaal is onderbroken; hij blijft bevroren op de leeftijd van verdrijving totdat hij eindelijk naar huis kan gaan.
Een pen scherper dan welk zwaard ook
Al-Ali’s cartoons spaarden niemand. Hij bekritiseerde zowel het Amerikaanse imperialisme als Arabische regimes die beweren Palestina te steunen, terwijl ze profiteren van hun leed, en Palestijnse leiders die compromissen sluiten met de bezetter. Hij geloofde dat Palestina alleen bevrijd zou worden door voortdurende strijd, nooit door overeenkomsten die onteigening accepteren of door normalisatie waarbij waardigheid wordt ingeruild voor comfort.
Dit maakte hem een doelwit. Zijn cartoons zorgden voor woede bij machthebbers in verschillende landen, en de doodsbedreigingen die hij in de jaren voor zijn moord ontving, lieten zien hoe serieus zij hem namen.
Zijn moord
Op de avond van 22 juli 1987 stapte Naji al-Ali zijn kantoor in Londen uit, waar een onbekende dader hem neerschoot. Hij werd met spoed naar het ziekenhuis gebracht en raakte in een coma die vijf weken duurde. Op 29 augustus 1987 overleed hij. Er is nooit een verdachte aangeklaagd en geen motief vastgesteld. De zaak blijft op papier open, maar is in de praktijk gesloten.
Een nalatenschap die niet zal worden uitgeroeid
Net als de handal die hem tot zijn creatie inspireerde, blijft Handala terugkeren. Het is de handtekening geworden van Naji al-Ali op al zijn cartoons. Het beeld verschijnt op vlaggen, muurschilderingen, protestborden en kindertekeningen in de hele diaspora en daarbuiten. Het is één van de meest herkenbare symbolen geworden van het Palestijnse verzet en het recht op terugkeer, aangenomen door een volk dat zichzelf blijft herkennen in het tienjarig kindje.
Nieuwe generaties ontdekken hem niet als een figuur uit het verleden, maar als een hedendaagse stem, omdat de structuren die hij bekritiseerde — bezetting, verdrijving, medeplichtigheid en imperiale onverschilligheid — niet zijn verdwenen. Ze zijn juist nog intenser geworden.
39 jaar na zijn moord blijft de vraag, die al-Ali in elk beeld stelde, onbeantwoord: wanneer zal Handala zich omdraaien? Wanneer mag de jongen eindelijk opgroeien? Hij staat met zijn rug naar ons toe, met de handen achter zich gevouwen, wachtend op de dag dat hij naar huis kan gaan.
