Israël zal als ‘Joodse’ staat de discriminatie tegen Palestijnen legaliseren

 

In het volgende artikel toont Ben White aan, dat alle (Joods-)Israëlische politici, rechts en gematigd, een in meerderheid Joodse staat willen en dat de aanvaarding van die discriminerende, racistische politiek ook de vredesgesprekken beheerst. Ben White is een Engelse freelance journalist, schrijver en activist, gespecialiseerd in de Palestijns-Israëlische kwestie. Hij is de auteur van “Israeli Apartheid: A Beginner’s Guide” (2009), in een nieuwe uitgave verschenen in februari 2014, en van “Palestinians in Israel: Segregation, Discrimination and Democracy (2012, beide: Pluto Press).

 

Israël zal als ‘Joodse’ staat de discriminatie tegen Palestijnen legaliseren

door Ben White, 18.01.2014 (in het Engels verschenen in “TheNational”)      

 

Nu het door de VS geleide Israëlisch-Palestijnse vredesproces zal gaan vastlopen komt één van de wezenlijke doeleinden van de onderhandelingen, die intussen al twee decennia duren, in het middelpunt van de belangstelling te staan. Daarbij gaat het om het behoud van een Joodse staat in het grootste deel van het oude mandaatgebied Palestina.

De eerste minister van Israël, Benjamin Netanyahu, eist, dat de Palestijnse president, Mahmoud Abbas, Israël als een “Joodse staat” erkent. Deze eis werd door andere Israëlische politici en internationale lobbygroepen overgenomen en heeft veel aandacht gekregen. Uiteindelijk is het de expliciete uitdrukking van wat al sinds het begin van het Oslo-proces de impliciete vooronderstelling was.

Intussen heeft de minister van buitenlandse zaken, Avigdor Lieberman, zijn voorstel gepromoot voor een land- en bevolkingsruil. Daarbij wordt aan duizenden Palestijnen hun huidige Israëlische burgerschap ontnomen, terwijl de meerderheid van Joodse kolonisten, die nu in de Westbank leven, opgenomen wordt in het “eigenlijke” Israël.

De houding van Netanyahu en meer nog die van Lieberman werden gezien als hinderpalen of zelfs als met opzet geconstrueerde belemmeringen van de vredesgesprekken. Maar men heeft niet ingezien, hoe zeer die eis tot erkenning en de voorstellen voor een bevolkingsruil overeenkomen met de principes van het model van de “twee-statenoplossing”, het model dat ten grondslag ligt aan de onderhandelingen.

Wat ze allemaal willen, is het behoud van de geïnstitutionaliseerde Joodse privileges in het grootste deel van het historische Palestina door middel van etnische scheiding en uitsluiting.

Iemand als Lieberman kan een idee naar voren brengen, dat buiten de orthodoxe praktijk van het vredesproces valt, maar de vooronderstellingen zijn dezelfde als die van mensen als de vroegere eerste minister Ehud Olmert, leiders van de Arbeiderspartij en dergelijke gematigde Zionisten. Het gaat er steeds om, hoe de “demografische bedreiging” vanwege de Palestijnen geneutraliseerd kan worden en hoe Israël als een “Joodse en democratische staat” veilig gesteld kan worden door de twee volken zo veel mogelijk te scheiden.

Tzipi Livni en groepen in het Westen, die de Israëlische zaak verdedigen, huiveren als de Israëlische minister van buitenlandse zaken spreekt over een bevolkingsruil – maar het maakt deel uit van een continuüm dat teruggaat tot de Nakba. De retoriek en de voorstellen van Netanyahu en Lieberman geven uiting aan een consensus die wordt gedeeld door Zionistische “gematigden” en progressieven, evenals door het door de VS geleide vredesproces. De verschillen zijn stilistisch en tactisch.

Kijk bijvoorbeeld naar de herhaalde waarschuwingen van Livni, dat twee staten voor twee volken een “vereiste” zijn om het “demografische probleem” te vermijden en het “Joods-zijn van Israël” te bewaren en dat om Israël “als een joodse staat te vrijwaren” het land moet worden gesplitst.

Livni gaf zelf blijk van een benadering à la Lieberman in 2008, toen ze zei dat als een Palestijnse staat zou worden opgericht zij aan de Palestijnse burgers van Israël zou zeggen dat “de nationale oplossing voor u elders is”.

Om het anders te zeggen, denk aan een recent wetsvoorstel van de Arbeiderspartij om de aanhechting van de Westelijke Jordaanoever te voorkomen (verworpen in de Knesset), waarvan de tekst mede was opgesteld door een zogenaamde vredesgroep One Voice. Het wetsvoorstel, dat dus was geschreven door hen, die als aanhangers van een vreedzame oplossing worden beschouwd, stelde duidelijk dat het doel “het waarborgen van Israëls toekomst als een Zionistische” staat was.

Vergelijk dat met de opmerkingen van Likoud-lid van de Knesset, Tzipi Hotovely, die in augustus 2013 zonder meer vaststelde: “Ik ben een Joodse racist en ik geneer me niet om te zeggen dat ik een Joodse staat wil met een Joodse meerderheid”. Het wordt dan duidelijk, dat als het over de Palestijnse kwestie gaat de “gematigde” en de “extremistische” Israëli’s meer gemeen hebben dan wat hen verdeelt.

Niet alleen heeft de gangbare verslaggeving over deze kwestie de gemeenschappelijke vooronderstellingen niet gezien die achter de eis van Netanyahu, het voorstel van Lieberman en het officiële vredesproces zitten, maar er werd ook vergoelijkt wat Israël “als een Joodse staat” werkelijk betekent en waarom dat zo bedenkelijk is.

Om van Israël een Joodse staat te maken, moet aan de Palestijnse vluchtelingen het recht ontzegd worden om terug te keren en moeten de Palestijnse burgers worden gediscrimineerd.

Israël als een Joodse staat betekent systematische discriminatie wat betreft land, wonen, burgerrechten, opvoeding en vrije meningsuiting. Dit alles gebeurt nu en is goed gedocumenteerd.

Zo werd het in 2007 uitgedrukt in een verslag door de Associatie van Burgerrechten in Israël: “Israël heeft enkele eigenschappen die het van andere westerse landen onderscheidt, vooral die van een systematische discriminatie die steunt op nationale en etnische achtergrond, waarbij het gaat over de toekenning van bestaansmiddelen en het scheppen van publieke ruimte. Deze ongelijkheid geeft de controle over de Arabisch-Palestijnse minderheid in Israël aan de Joodse meerderheid.”

Er moet hier op gewezen worden, dat hoewel door velen bevolkingsaantallen en meerderheids-minderheidsdynamiek worden beklemtoond, het eigenlijk gaat over beleid en wetgeving.

Zo zit de logica van Haaretz columnist Chemi Shalev er bijvoorbeeld behoorlijk naast. Hij schreef eerder deze maand: “zolang er een Joodse meerderheid is in Israël, heb ik geen probleem met z’n Joodse karakter.”

Hoewel de argumenten van de huidige Israëlische regering het geïnstitutionaliseerde racisme, dat altijd al heeft bestaan, duidelijker zichtbaar maken, blijft er een belangrijke lacune bestaan: de ontkenning en het verdwijnen van de Nakba in discussies over Israël als een Joodse staat en het feit dat de Joodse meerderheid alleen maar tot stand is gekomen door etnische zuivering.

Als voorbeeld een editoriaal van het nieuwsagentschap Bloomberg van 5 januari over “De kwestie van de Joodse staat”, waar de Nakba niet één keer wordt vermeld. Evenzo een stuk van Jodi Rudoren voor de New York Times op 1 januari met als titel “Knelpunt in de Vredesgesprekken: Erkenning van een Joodse staat.” Hierin krijgen de lezers geen informatie over de etnische zuivering, waardoor het pas mogelijk werd een Joodse staat op te richten.

In een verzamelbundel over antisemitisme (Those Who Forget The Past) uit 2004 schreef de Britse journalist en commentator, Jonathan Freedland, die regelmatig publiceert in The Guardian en The Jewish Chronicle, verrassend openhartig over de relatie tussen de Nakba en het bestaan van Israël als een Joodse staat.

Freedland schreef: “Ik heb lang geloofd dat Israël de realiteit van 1948 zou moeten toegeven – en die desondanks verdedigen. We hadden een thuis nodig en we hadden elk recht dat te eisen – zelfs als dat betekende dat we een ander volk moesten dwingen hun land met ons te delen [sic]”.

Freedland erkent: “vierhonderd dorpen ….. werden leeggemaakt” – maar zegt, dat de creatie van een Joodse staat deze etnische zuivering rechtvaardigt: een “morele noodzaak ….. gekocht voor een verschrikkelijk hoge morele prijs”. Een prijs uiteraard betaald door de Palestijnen.

Freedland valt echter wat tegen, als hij beweert, dat de Palestijnen gedwongen werden het land “te delen”; in werkelijkheid werden de meesten gewelddadig verdreven en uitgewezen. De helft van de Palestijnse bevolking leeft vandaag buiten hun vaderland.

Dit is het soort van “delen” voorzien door de vredesgesprekken, die door de VS worden geleid, waarbij de kolonisatie van het grootste deel van Palestina wordt aanvaard en beschermd en een “Joodse staat” voor altijd is gevestigd op de ruïnes van verwoeste gemeenschappen en etnisch gezuiverde steden.

Nu de inspanningen blijven steken om onder het mom van een “vredesproces” te scheiden en te fragmenteren, te verdrijven en rassenscheiding toe te passen, mogen we er niet voor terugschrikken de moeilijke vragen te stellen en zo het ontstaan van een diepgaander en uiteindelijk rechtvaardiger en beter verdedigbaar begrip van “delen” mogelijk te maken.