Verkiezingen in Israël: een strijd tussen links en rechts, of een strijd om het behoud van kolonialisme?

Vandaag vinden in Israël verkiezingen plaats. Als men de reguliere berichtgeving volgt, krijgt men al snel de indruk dat het land zich op een kantelmoment bevindt. De opiniepeilingen voorspellen een nek-aan-nek race tussen respectievelijk het rechtse Likoed en de centrum-linkse Zionist Union, met als inzet een nieuwe regeringscoalitie: een zoveelste regering geleid door politiek overlever Netanyahu, of een frisse wind onder sociaaldemocraat Herzog. Bovendien lijken Israëls Palestijnse inwoners voor het eerst een beslissende rol te spelen in het Israëlische politieke spel: 4 Palestijnse partijen trekken voor het eerst met één lijst naar de kiezer en worden mogelijks de grootste oppositiepartij.

 

Op het eerste zicht een spannende race, typisch voor een goed functionerende hedendaagse democratie.

Maar is dit wel zo? Niet voor de helft van de inwoners die onder Israëlisch bestuur vallen. Want al te vaak wordt over het hoofd gezien dat de Palestijnse inwoners van de bezette Westelijke Jordaanoever, Gazastrook en Oost-Jeruzalem geen stemrecht hebben, hoewel de Israëlische overheid hun levens evenzeer controleert. Israëls “democratie” is er één op 2 leesten gestoeld, waarbij verschillende rechten toegekend worden aan verschillende etnische groepen. Voor Israëli's en Israëlische kolonisten geldt een burgerlijke wetgeving, terwijl Palestijnen die naast een kolonie wonen, onderworpen worden aan militaire orders en de willekeur van 18-jarige dienstplichtige soldaten. Recht op beroep, onafhankelijke en neutrale controleorganen of participatie in het bestuur van hun dorpen hebben ze niet. Het is geen toeval dat het Israëlische ministerie van defensie de verantwoordelijke instelling is voor de Bezette Palestijnse Gebieden.

 

Hoe uitte zich dit alles in de verkiezingscampagnes? Extreemrechtse partijen als Joods Huis, Ons Huis en Likoed komen er openlijk voor uit dat een Palestijnse staat of een vredesakkoord hen niet interesseert en het internationale recht het minste van hun zorgen is. Niet verwonderlijk, als men het recordtempo aanschouwt waarmee deze partijen de illegale kolonies uitgebreid hebben met de ontslagnemende regering-Netanyahu.

Nu stelt zich de vraag of de Zionist Union, de grote uitdager van Likoed, een alternatief biedt voor deze politiek. Deze partij is een kartel van de Labor partij (met Herzog als voorzitter) en de kleinere partij Hatnua (met Livni als voorzitter) en dankt haar succes voor een deel aan de gestegen levenskosten en woningprijzen in Israël.

 

Hoewel de Zionist Union qua stijl (minder agressief of provocatief) sterk verschilt van Likoed, blijkt het inhoudelijk contrast niet zo groot. Ook in hún campagne wordt de bezetting van de Palestijnen op zich nauwelijks geproblematiseerd en wordt gepropageerd dat er aan Palestijnse kant geen partner is om mee te spreken. Dit terwijl de Palestijnse Autoriteit (die minieme bevoegdheden heeft in slechts 40% van de bezette Westelijke Jordaanoever) onder meer door intensieve veiligheidscoördinatie met Israël de afgelopen jaren zowat alles heeft gedaan wat Israël en de internationale gemeenschap van haar verwacht heeft, inclusief vredesonderhandelingen terwijl de illegale kolonies aan spoedtempo werden uitgebreid.

 

Ook op het vlak van de kolonies spreekt Zionist Union zich uit voor een annexatie van het merendeel van de kolonies, iets wat regelrecht tegen het internationaal recht ingaat. Net als Likoed verwacht Zionist Union dat de Palestijnen Israël erkennen als “joodse staat”.  Hoewel dit voorbijgaat aan de 20% Palestijnse inwoners van Israël en bovendien uitsluit dat Israël ooit nog verantwoordelijkheid opneemt voor de vele Palestijnse vluchtelingen die het verdreef uit het hedendaagse Israël in 1948 en 1967.

 

De nakomelingen van Palestijnen die toen niet gevlucht zijn, kregen burgerschap in Israël, maar worden gediscrimineerd door meer dan 50 wetten in alle mogelijke domeinen (huisvesting, land, onderwijs, financieel, enz.). Ook politiek uit zich dit in het feit dat de Palestijnse partijen van Israël nog nooit geconsulteerd zijn voor regeringsdeelname en zo goed als uitgesloten worden in het publieke debat. De eenheidslijst waarmee de verschillende Palestijnse politieke stromingen nu naar de stembusslag trekken, kwam er nadat de vorige Israëlische regering de kiesdrempel verhoogde om de (kleine) Palestijnse partijen uit het parlement te krijgen. Toen een aantal joods-Israëlische partijen Haneen Zoabi, een Palestijns parlementslid, probeerden te diskwalificeren voor deze verkiezingen, stemde ook Zionist Union hiervoor. Of de Palestijnse partijen apart of gezamenlijk naar deze verkiezingen trekken, lijkt dan ook weinig uit maken.

 

Onlangs riep (ontslagnemend) buitenlandminister Lieberman tijdens een debat op om de Israëlische Palestijnen te onthoofden wanneer ze “niet trouw zijn” aan de staat Israël. Dit werd door Zionist Union, de grootste “centrum-linkse” uitdager van de huidige regering, niet openlijk veroordeeld. Wanneer hun leider Netanyahu wél verwijt dat de aanval op Gaza van afgelopen zomer niet hard genoeg was, dan rijst de vraag in hoeverre men Israël (ooit) als een “democratie” kan omschrijven.